Dossiers

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op mijn vraag 1485 gaf u een overzicht van de plaatsing van verkeersbord A27 en van de wijze waarop de locatiekeuze tot stand kwam.

 

Naar aanleiding van de verstrekte gegevens had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: In het overzicht dat u geeft van de locaties waar deze borden staan opgesteld, worden de kilometerpunten opgesomd waar de borden staan opgesteld. Staan de borden steeds in beide rijrichtingen? Waarom is dat desgevallend niet het geval?

2: Uit het overzicht dat u geeft, blijkt dat er heel wat overlappingen zijn m.b.t. de afstandsaanduidingen onder de borden. Concreet wordt bijvoorbeeld aangegeven dat er gevaar voor overstekend wild is over een afstand van 4000 meter en wordt er na 3000 meter al een nieuw bord geplaatst dat aangeeft dat er gedurende 3500 meter gevaar is,… Waarom worden er telkens opnieuw borden geplaatst op een kortere afstand dan degene die voorzien is op de onderborden type II? Waarom wordt er niet voor geopteerd om bij het eerste bord de totaalafstand te geven?

3: Wat wordt door de Vlaamse overheid beschouwd als groot wild, met andere woorden met welk dier moet er een ongeval gebeuren in functie van het plaatsen van waarschuwingsbord A27?

4:In hoeveel gevallen (en welke) gebeurde de plaatsing op basis van een ongeval met groot wild en in welke gevallen was de plaatsing het gevolg van een vraag van de lokale overheden, de politiediensten of een bosbeheerder? Welke procedure moet gevolgd worden voor zo’n aanvraag.

5:Op welke manier wordt de opportuniteit van de vraag geëvalueerd?Op welke manier wordt bij grootschalige herstellingswerken of bij de realisatie van een nieuwe weg geëvalueerd of alle aanwezige borden moeten blijven staan of hoe wordt bepaald welke borden zullen worden geplaatst?

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op vraag 98 liet u mij weten dat er op dit ogenblik nauwelijks nog problemen zijn met een geschikte bestemming voor het patrimonium beheerd door het agentschap Natuur en Bos.

 

Naar aanleiding van die vaststellingen had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: Graag een overzicht van het bouwkundig patrimonium dat wordt beheerd door het agentschap Natuur en Bos?

2: Wat is de bestemming van die verschillende objecten?

3: Welke onderdelen van het bouwkundig patrimonium hebben momenteel geen functie of worden niet volledig gebruikt? Wat zijn de eventuele knelpunten die hieraan ten grondslag liggen?

4: Op welke objectieve manier (bv. Monumentenwacht) wordt de bouwfysische toestand van dit patrimonium gemonitored? Hoe wordt die toestand voor de verschillende onderdelen van het patrimonium ingeschat?

4 januari 2012

Wachtbekkens

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op vraag 97 probeerde u mij gerust te stellen met betrekking tot de veiligheid van de wachtbekkens in de Denderstreek. Op basis van de antwoorden blijven echter toch een aantal bedenkingen.

 

Naar aanleiding van die vaststellingen had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: Waar bevinden zich momenteel de verschillende GOG’s in Vlaanderen? Wat is van elk van deze GOG’s de bergingscapaciteit en hoe verhoudt die zich tot de oorspronkelijke bergingscapaciteit van de betrokken zone? Welke extra technische beveiligingsmaatregelen zijn genomen?

2: Wat zou voor elk van deze plaatsen de theoretische impact zijn, mocht ondanks alle maatregelen het wachtbekken toch niet naar behoren functioneren omdat de electromechanische installaties niet werken en/of er een probleem is met de dijken? Welk gebied zou in dat geval onder water komen te staan?

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op vraag 198 merkte u op dat de voertuigen van De Lijn niet zijn uitgerust met een zwarte doos. Het blijft uiteraard een eigenaardige vaststelling dat een werknemer van De Lijn verwijst naar dit instrument, terwijl het in de praktijk blijkbaar niet bestaat.

Een aantal van de antwoorden roepen ook enkele nieuwe vragen op.

 

Naar aanleiding van die vaststellingen had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: Zijn alleen de kusttrams uitgerust met deze geheugenchips in de huidige stuurelektronica of zijn ook de bussen van De Lijn hiermee uitgerust?

 
2: Zijn er naast deze geheugenchips in de stuurelektronica bij de kusttrams of bij de bussen nog andere instrumenten ingebouwd die eventuele defecten kunnen detecteren? Over welke instrumenten gaat het en welke fouten kunnen ze precies detecteren?

 
3: Het lijkt eigenaardig dat deze geheugenchip niet bestand is tegen de impact van een ongeval, waardoor belangrijke gegevens die kunnen bijdragen tot het onderzoek naar de oorzaken van het ongeval, niet beschikbaar zijn. Welke maatregelen zal de minister nemen om ervoor te zorgen dat deze geheugenchip en eventuele andere detectie- en veiligheidsinstrumenten bestand zullen zijn tegen de impact van een ongeval?

 
4: Op welke basis kon worden vastgesteld dat de geheugenchip stuk was ten gevolge van de impact van het ongeval en dat er niet gewoon een ander defect is opgetreden?

 
5: Op welke manier en binnen welke tijdsperiode wordt het goed functioneren van de geheugenchip en van eventuele andere detectie- en veiligheidsinstrumenten gecontroleerd? Hoeveel defecten werden vastgesteld en binnen welke termijn worden die hersteld?

 

Geachte mevrouw minister,

 

In het verleden heb ik u reeds herhaaldelijk vragen gesteld over de topstukkenlijst en over het al dan niet opnemen van bepaalde voorwerpen op deze lijst.

Naar aanleiding van een recente vraag m.b.t. een steenbakkerijlocomotief stond in het gecoördineerd antwoord:

“Daarnaast nam de minister van Cultuur het initiatief om na te gaan welk in Vlaanderen bewaard vliegend erfgoed in aanmerking komt om opgenomen te worden op de Topstukkenlijst. Dit onderzoek zal in 2012 worden afgerond en wellicht aanleiding geven tot de opname van een aantal stukken in de Topstukkenlijst”.

 

Deze passage is op zijn minst eigenaardig te noemen. Reeds in uw beleidsbrief 2011 had u immers een vergelijkbaar initiatief aangekondigd voor dat werkingsjaar. Meer nog, in uw beleidsbrief ‘Cultuur’ lezen we op p. 6: “In 2011 werd de Topstukkenlijst uitgebreid met ondermeer een smalspoorlocomotief en een aantal stukken ‘vliegen erfgoed’, naast voor het eerst ook archeologische stukken met als opvallendste de vondstcollectie van het Merovingisch grafveld van Broechem. (…)”. Op de voor iedereen raadpleegbare topstukkenlijst is hiervan echter geen enkel spoor terug te vinden.

 

Naar aanleiding van die vaststellingen had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: Graag een stand van zaken met betrekking tot de op dit ogenblik lopende opdrachten in functie van het samenstellen van de topstukkenlijst: wanneer werd het onderzoek opgestart, door wie wordt het uitgevoerd, hoe is het thematisch afgebakend, wanneer diende het te zijn afgerond, wat is de eventuele reden voor vertraging, over welke aantallen van te onderzoeken voorwerpen gaat het,…

2: Op wiens initiatief (bv. welke middenveldsorganisatie,…) werd het onderzoek telkens opgestart?

3: Waarom wordt overal meegedeeld en gecommuniceerd dat de eerste onderdelen vliegend en archeologisch erfgoed op de Topstukkenlijst zijn geplaatst, terwijl dit in de praktijk niet het geval is?

4: Welke maatregelen zal de minister nemen om ervoor te zorgen dat de communicatie rond de samenstelling van de topstukkenlijst correct gebeurt en dat stukken die nog niet op de lijst staan, nog niet als dusdanig worden voorgesteld?

5: Op welke manier wordt aandacht besteed aan de adhoc-problematiek van het verdwijnen van kunstwerken naar het buitenland in afwachting van plaatsing op de topstukkenlijst? Op basis van welk juridisch kader wordt er van uitgegaan dat dergelijk onderzoek niet pro-actief kan gebeuren door de administratie, maar alleen op basis van een reële vraag van een particulier, overheid of erfgoedvereniging,…