Kritische vragen

Dirk legt onze Vlaamse Ministers het vuur aan de schenen

Deze Vlaams Regering heeft er steeds de mond van vol dat zij bijvoorbeeld inzake personeel een efficiëntiebeleid voert. Concreet wordt vooropgesteld dat er tijdens deze regeerperiode geen ambtenaren bij mogen komen.

Hoewel Vlaams minister Geert Bourgeois op die regel het toezicht moet houden, lijkt die maatregel voor zijn eigen beleidsdomein onroerend erfgoed niet op te gaan. Alleen al het afgelopen jaar zijn er binnen het beleidsdomein onroerend erfgoed niet minder dan 30 vacatures voor contractuelen en statutairen uitgeschreven.

Zoals te verwachten, minimaliseert Vlaams minister Geert Bourgeois het probleem en wijst hij erop dat de nieuwe vacatures het gevolg zijn van de recente reorganisatie in het beleidsdomein onroerend erfgoed. Die reorganisatie werd aangekondigd als kostenbesparend en gericht op efficiëntiewinsten… Tja!

 

Vraag & antwoord

Iedere regelmatige weggebruiker zal al gemerkt hebben dat er langs de Vlaamse wegen heel wat verkeersborden staan. Soms is het zelfs moeilijk om door het bos de bomen nog te zien. Dat is niet goed, want een overaanbod zorgt voor onachtzaamheid, zelfs in die mate dat het gevaar bestaat dat er ook geen aandacht meer wordt besteed aan gevaar- of waarschuwingsborden die er wel degelijk toe doen.

Eén van de verkeersborden die men op heel wat plaatsen langs de gewest- en autosnelwegen aantreft, is het verkeersbord A27 dat waarschuwt voor de doortocht (het oversteken) van groot wild.

Door de toename van bijvoorbeeld het aantal reeën en everzwijnen in Vlaanderen zal het aantal van deze borden wellicht nog toenemen. Toch had Vlaams volksvertegenwoordiger Dirk Van Mechelen ook een aantal vragen bij de locatiekeuze voor bepaalde borden. Bijvoorbeeld langs de N14 tussen Lier en Dffel staat dergelijk bord opgesteld op een plaats met langs de ene kant aaneensluitende bewoning en aan de andere kant een containerpark. Het gevaar voor overstekend groot wild lijkt daar dan ook bijzonder beperkt.

 

Uit het antwoord van minister Crevits blijkt dat er verspreid over gans Vlaanderen ongeveer 450 van dergelijke borden staan langs gewest- en autosnelwegen. De minister geeft aan dat de plaatsing gebeurde op basis van een ongeval met overstekend wild of omdat daar door de politie, lokale overheden of een bosbeheerder wordt om gevraagd.

 

Vraag & antwoord

Wie al eens betrokken geweest is bij een aanrijding met een lijnbus weet dat de afhandeling van dergelijk ongeval enigszins anders verloopt dan gebruikelijk. Veel mensen hebben in de praktijk immers kunnen vaststellen dat het zo snel mogelijk voortzetten van de reisweg in feite de prioriteit is van de chauffeur.

Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van een lijncontroleur die in de plaats van de chauffeur voor de verdere administratieve afhandeling kan zorgen.

 

Vlaams volksvertegenwoordiger Dirk Van Mechelen vindt deze manier van werken enigszins bevreemdend. Hij begrijpt dat de gebruikers van De Lijn er baat bij hebben dat het tijdverlies zo beperkt mogelijk wordt gehouden, maar langs de andere kant mag dat ook niet ten koste gaan van andere weggebruikers. Iedereen die al eens bij een ongeval betrokken raakte, weet dat dit niet prettig is en dat het voor heel wat onzekerheid zorgt wanneer één van de betrokkenen gewoon zijn weg voortzet…

Het is overigens opvallend hoe er vanuit de politie- en gerechtelijke diensten, terecht, hard wordt opgetreden tegen mensen die vluchtmisdrijf plegen, terwijl vanuit De Lijn het voort zetten van de weg, ook zonder te wachten op eventuele vaststellingen van de politie wordt aangemoedigd.

 

In antwoord op een aantal vragen daarover bevestigde bevoegd minister Hilde Crevits de huidige gang van zaken aan Dirk Van Mechelen.

Wanneer een lijnbus bij een ongeval betrokken raakt moet de chauffeur er in eerste instantie voor zorgen dat de veiligheid en vlotheid van het verkeer wordt verzekerd, met andere woorden: de chauffeur moet ervoor zorgen dat hij zijn bus aan de kant kan zetten of moet zijn gevarendriehoek plaatsen.

Wanneer er lichamelijke schade is, mag de bus niet worden verplaatst.

De chauffeur dient ook onmiddellijk dispatching te verwittigen. Indien mogelijk wordt een lijncontroleur ter plaatse gestuurd die vaststellingen kan voortzetten zodat de chauffeur desgevallend zijn reisweg kan voortzetten.

 

De door de chauffeur te volgen procedure bij een ongeval is enigszins ongebruikelijk. Eerst moet de chauffeur de nummerplaat, het merk, type en kleur van het voertuig van de tegenpartij noteren evenals datum, plaats en uur van het voorval. Hij maakt een algemene informatiekaart op en geeft deze af.

Pas nadien moet de chauffeur blijkbaar informeren of er gekwetsten zijn bij de reizigers en de tegenpartij en dient hij, indien nodig, hulp te bieden aan de gekwetsten. Vervolgens moet de dispatching worden verwittigd en worden de gegevens worden genoteerd die nodig zijn voor een ongevalaangifte. Deze taak wordt eventueel overgenomen door de lijncontroleur wanneer die ter plaatse is.

 

Bij een ongeval met bijvoorbeeld een geparkeerd voertuig waarbij de chauffeur van de tegenpartij niet aanwezig is, maakt de chauffeur een ‘Indentiteitsfiche opgemaakt ten behoeve van de tegenpartij’ op, laat die achter en noteert ter plaatse de schade van de tegenpartij. Wanneer de chauffeur terug kan vertrekken, verwittigt hij ook de dispatching.

 

Dirk Van Mechelen zegt hierover: “Ik ben het er niet mee eens dat aan het zo snel mogelijk voortzetten van de reisweg de absolute prioriteit wordt gegeven. Je zal als tegenpartij maar betrokken raken in een ongeval en geconfronteerd worden met een chauffeur die enkele summiere gegevens van het ongeval meedeelt aan een lijncontroleur, waarna de chauffeur zijn weg voortzet. Ik denk dat je op dat ogenblik als betrokken partij terecht vragen kan stellen bij de objectiviteit van de verklaringen. Het valt me daarbij op dat in de normale procedure of afspraken nergens uitdrukkelijk is voorzien dat de politie of andere hulpdiensten worden verwittigd.”

“Ik beraad me dan ook over verdere initiatieven om een en ander niet alleen meer gestroomlijnd, maar ook kwalitatiever voor de toevallige burger die bij een ongeval met een voertuig van De Lijn betrokken raakt”, besluit Van Mechelen.

 

Vraag & antwoord

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op mijn vraag 1491 gaf u duiding bij de te volgen procedure door chauffeurs van De Lijn wanneer zij betrokken zijn bij een ongeval.

Wat opvalt in het antwoord is dat er de facto geen rekening wordt gehouden met een vaststelling door de politie, maar dat integendeel het zo snel mogelijk verder zetten van de reisweg de eerste prioriteit lijkt.

In feite werd geen antwoord gegeven op de vraag op welke manier er wordt gezorgd dat er geen sprake kan zijn van vluchtmisdrijf. Integendeel zelfs, het geformuleerde antwoord doet net het tegenovergestelde vermoeden omdat de chauffeur alleen een identificatiefiche achterlaat.

Nochtans is artikel 33 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer van 16 maar 1968 duidelijk. Dit wordt trouwens bevestigd door een aantal uitspraken van het Hof van Cassatie (Cass. 7 december 1974, Pas. 1965, I, 343 en Cass. 25 maart 1968, Pas. 1968, I , 906): De bestuurder die alleen zijn visitekaartje afgeeft, alleen zijn identiteit of zijn nummerplaat opgeeft en verder niet ter plaatse blijft voor de dienstige vaststellingen pleegt vluchtmisdrijf.

 

Naar aanleiding van de verstrekte gegevens had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: In welke gevallen is de chauffeur verplicht om te wachten op de eventuele vaststellingen van de politiediensten? Wie beslist daar over: de chauffeur zelf, de dispatching, de lijncontroleur,…?

2: Hoe wordt de objectiviteit van de vaststellingen aan andere betrokkenen gegarandeerd wanneer de vaststellingen gebeuren door een lijncontroleur in plaats van door de chauffeur zelf?

3: Hoe wordt ervoor gezorgd dat de chauffeur zich niet schuldig maakt aan vluchtmisdrijf rekening houden met artikel 33 van de wet van 16 maart 1968 en de duidelijke interpretatie ervan door uitspraak van het Hof van Cassatie?In hoeveel ongevallen zijn de lijnbussen betrokken geweest sinds 2009?

4: In hoeveel gevallen ging het louter om blikschade en in hoeveel gevallen was er ook lichamelijke schade? In hoeveel gevallen ging het om aanrijdingen met geparkeerde voertuigen of andere vaste objecten?

5: In hoeveel van de schadegevallen sinds 2009 gebeurde de vaststelling door de chauffeur zelf, door de lijncontroleur of na tussenkomst van de politiediensten?

Geachte mevrouw minister,

 

In antwoord op mijn vraag 1485 gaf u een overzicht van de plaatsing van verkeersbord A27 en van de wijze waarop de locatiekeuze tot stand kwam.

 

Naar aanleiding van de verstrekte gegevens had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:

1: In het overzicht dat u geeft van de locaties waar deze borden staan opgesteld, worden de kilometerpunten opgesomd waar de borden staan opgesteld. Staan de borden steeds in beide rijrichtingen? Waarom is dat desgevallend niet het geval?

2: Uit het overzicht dat u geeft, blijkt dat er heel wat overlappingen zijn m.b.t. de afstandsaanduidingen onder de borden. Concreet wordt bijvoorbeeld aangegeven dat er gevaar voor overstekend wild is over een afstand van 4000 meter en wordt er na 3000 meter al een nieuw bord geplaatst dat aangeeft dat er gedurende 3500 meter gevaar is,… Waarom worden er telkens opnieuw borden geplaatst op een kortere afstand dan degene die voorzien is op de onderborden type II? Waarom wordt er niet voor geopteerd om bij het eerste bord de totaalafstand te geven?

3: Wat wordt door de Vlaamse overheid beschouwd als groot wild, met andere woorden met welk dier moet er een ongeval gebeuren in functie van het plaatsen van waarschuwingsbord A27?

4:In hoeveel gevallen (en welke) gebeurde de plaatsing op basis van een ongeval met groot wild en in welke gevallen was de plaatsing het gevolg van een vraag van de lokale overheden, de politiediensten of een bosbeheerder? Welke procedure moet gevolgd worden voor zo’n aanvraag.

5:Op welke manier wordt de opportuniteit van de vraag geëvalueerd?Op welke manier wordt bij grootschalige herstellingswerken of bij de realisatie van een nieuwe weg geëvalueerd of alle aanwezige borden moeten blijven staan of hoe wordt bepaald welke borden zullen worden geplaatst?