MENU

Begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten WO I – Werelderfgoed Unesco

In het kader van de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog wordt reeds geruime tijd werk gemaakt van een erkenning van een aantal sites als werelderfgoed.  De Vlaamse overheid neemt hier samen met het Waals Gewest en een aantal Noord-Franse departementen het voortouw.

Het aanvraagdossier wordt binnenkort officieel bij Unesco ingediend met het oog op een erkenning in 2018.

Uiteraard is een selectie altijd het zoeken en vinden van een evenwicht, maar voor wie de lijst van begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten bekijkt komt de selectie toch enigszins verrassend over.  Daar waar in Wallonië met het fort van Loncin een fort van de Luikse gordel is opgenomen, werd vanuit Vlaamse zijde geen fort van de Antwerpse gordel weerhouden.

Ook andere symbolische plaatsen zoals het slagveld, het monument en de militaire begraafplaats van Halen worden blijkbaar onvoldoende interessant geacht.

Dezelfde vaststelling kan worden gemaakt bij de keuze van de militaire begraafplaatsen.  Bijvoorbeeld de Amerikaanse begraafplaats van Waregem kreeg geen plaats in de selectie.  Van alle andere mogendheden werden wel begraafplaatsen opgenomen.

Het valt in de selectie in Vlaanderen ook op dat er geen plaats was voor herdenkingsmonumenten die verwijzen naar de Belgische inbreng in de Eerste Wereldoorlog.  Voor de hand liggende sites als de Dodengang in Diksmuide of het Memoriaal van Albert I in Nieuwpoort met de ganzenpoot halen de selectie niet.

Andere monumenten uit die steden halen de selectie wel.  In Nieuwpoort is het Nieuport Memorial weerhouden.  In Diksmuide de crypte van de eerste IJzertoren.  Ik zou verwacht hebben dat bijvoorbeeld de ganzenpoot in Nieuwpoort, van waar het onder water zetten van de IJzervlakte en in feite de stellingenoorlog startte, en de Dodengang qua symboolwaarde toch voldoende belangrijk zijn.

Tot slot valt ook op dat de Congreskolom en het Graf van de onbekende soldaat of het monument ter ere van de geëxecuteerden op de voormalige schietbaan in Brussel ook geen plaats vonden op de lijst.

De verwijzing naar de inspanningen van het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog blijft beperkt tot de militaire begraafplaats van Houthulst en Oeren (met de Vlaamse heldenhuldezakjes).

Eén en ander doet mij vermoeden dat de federale overheid niet betrokken werd bij de voorbereiding van het dossier en bij de selectie van begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten.

  1. Werd de federale overheid en inzonderheid Defensie betrokken bij de voorbereiding van het dossier en bij de selectie van de begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten? Zo ja, op welke manier en werden er door Defensie buiten de geselecteerde sites nog andere plaatsen voorgedragen?  Waarom werden deze plaatsen niet weerhouden?
  2. Dient de federale overheid haar instemming te geven aan deze selectie en aan het indienen van het werelderfgoeddossier?  Zal desgevallend deze instemming worden gegeven?
  3. Op welke manier zal worden gezorgd dat het indien de erkenning van deze begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten als werelderfgoed een feit is, het verhaal van de Belgische inbreng voldoende zal worden geduid?
  4. Is over dit dossier en over de selectie contact geweest met andere mogendheden bijvoorbeeld binnen NAVO-verband?  Is er bijvoorbeeld reactie geweest van de Amerikaans overheid over de niet-selectie van de begraafplaats van Waregem?

Antwoord van de minister van Landsverdediging

  1. Defensie werd in dit proces niet betrokken.  Ook het Instituut voor Veteranen – Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers werd niet geconsulteerd.  Twee jaren geleden werd het Instituut wel geïnformeerd over het bestaan van de lijst en de criteria die werden gehanteerd via een informatievergadering door de deelstaten.  In het najaar van 2016 werd ook de Commissaris-Generaal voor de federale herdenkingen, de heer Breyne, over de lijst en de criteria geïnformeerd via het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
  2. 3. 4. Onroerend Erfgoed is een bevoegdheid van de deelstaten.  De erkenningsaanvraag van een aantal sites als UNESCO werelderfgoed is het resultaat van een samenwerking tussen Vlaanderen, Wallonië en een aantal Franse departementen.  Defensie is niet op de hoogte van een eventuele reactie van de Amerikaanse overheid.