MENU

Koudwatervrees voor nieuwe archeologische onderzoeksmogelijkheden.

Onder andere in het kader van de discussie rond een nieuw onroerend erfgoeddecreet, is de manier waarop het zgn. Verdrag van Malta zal worden geïmplementeerd één van de belangrijkste aandachtspunten.

Malta voorziet in een behoud van archeologische relicten in situ waar het kan en in een behoud ex situ (bijvoorbeeld door een wetenschappelijke opgraving) wanneer het moet.

Behoud in situ kan onder andere worden bewerkstelligd door in een planningsfase reeds rekening te houden met de aanwezigheid van archeologische relicten.

 

“Eén van de problemen waarmee bouwheren op het terrein worden geconfronteerd, is het feit dat slechts 10 % van de archeologische sites gekend is. Concreet betekent dit dat zij bij elk bouw- of infrastructuurproject archeologisch vooronderzoek dat moet nagaan of een opgraving noodzakelijk is, moeten uitvoeren. Dit kost handenvol geld. Bovendien laat deze manier van werken nauwelijks toe om reeds bij de planning rekening te houden met de aanwezigheid van archeologische relicten”, zegt Vlaams volksvertegenwoordiger Dirk Van Mechelen

 

“Ik ben altijd een pleitbezorger geweest van het opmaken van gebiedsdekkende archeologische waarderingskaarten, van kaarten die op basis van alle mogelijke gegevens en onderzoekstechnieken proberen een inschatting te maken van het potentieel van archeologische zones en relicten. Uiteraard zal dit nooit 100 % uitsluitsel geven, maar elke stap in de goede richting is er één”, gaat Van Mechelen verder.

 

“De innovatie staat ook op dit vlak niet stil. Bijvoorbeeld de Universiteit Gent is mondiaal toonaangevend met haar geofysisch onderzoek. Deze technieken verbeteren stelselmatig. Recent werden er bijvoorbeeld zeer gunstige resultaten geboekt bij onderzoek naar het neerhof van de Baudeloabdij. Ik had dan ook verwacht dat Vlaams minister Geert Bourgeois als antwoord op mijn vraag zou aankondigen dat hij met veel plezier gebruik maakte van deze nieuwe technieken om zoveel mogelijk informatie te verzamelen op een niet-destructieve manier”, vervolgt de voormalige erfgoedminister.

 

“Dat was echter niet het geval. De Vlaamse Regering heeft de mond vol van het belang van innovatie en van Vlaanderen in Actie, maar op het terrein blijft de koudwatervrees en komt daar weinig of niets van terecht. Ook nu zag minister Bourgeois vooral obstakels in plaats van mogelijkheden. Hij wees onder andere op het feit dat een monitoring van gans Vlaanderen veel tijd en geld zou kosten. Op die manier zorg je natuurlijk voor een stand still. In 1975 heeft men beslist om met een inventaris van het bouwkundig erfgoed te starten. Het heeft bijna 40 jaar geduurd vooraleer die gebiedsdekkend was, maar ondertussen is het een onmisbaar basisinstrument geworden.

En uiteraard moeten we voldoende kritisch blijven bij de beoordeling van de resultaten, maar we moeten ervoor zorgen dat we het kind met het badwater niet weggieten. Zo is het eigenaardig dat een internationaal onderzoeksteam beroep doet op de Gentse universiteit om de omvang van de archeologische site van Stonehenge op deze manier te gaan bepalen en dat we deze techniek in Vlaanderen niet zouden inzetten.”, besluit Dirk Van Mechelen.

Tags: