MENU

Werelderfgoed – Gereconstrueerde sites WO I

Iedereen herinnert zich de beelden van met de grond gelijk gemaakte stadsdelen of steden ten gevolge van de oorlogsontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Aarschot, Leuven, Dendermonde, Diksmuide, Nieuwpoort, Ieper,… om maar die te noemen, allemaal werden ze vernield door het oorlogsgeweld.

Na de oorlog woedde er een hevige discussie over de manier waarop deze centra en steden zouden worden heropgebouwd. Vooral voor Ieper was dat het geval. In feite werden 3 voorstellen gedaan:

 

 

1. de heropbouw naar het oude voorbeeld (de meeste panden werden voor en in het begin van de oorlog opgemeten en opgetekend);

2. het behoud van de ruïne als blijvend symbool van oorlogsgeweld

3. een volledige nieuwe inrichting en opbouw van de stad volgens de nieuwe modernistische inzichten.

Op de meeste plaatsen in ons land werd uiteindelijk geopteerd voor een wederopbouw naar vroeger, meestal middeleeuws, model. Dat gaf aanleiding tot de typische wederopbouwarchitectuur die we in de meeste van de vernielde steden aantreffen.

En hoewel veel van deze gebouwen, met de Ieperse Lakenhallen als meest in het oog springende voorbeeld, op hun eigen manier getuigen van de oorlogsomstandigheden en de verwerking ervan, is het lang niet zeker dat daar ook door Icomos (de adviesinstantie van Unesco) en door Unesco zelf zo wordt over gedacht. Bijvoorbeeld in het kader van het werelderfgoeddossier van de Vlaamse begijnhoven werd het begijnhof van Diksmuide niet op de nominatieve lijst geplaatst omdat het werd beschouwd als een “kopie”.

Dirk Van Mechelen vroeg zich dan ook af op welke manier met deze gereconstrueerde dossiers zal worden omgegaan in het kader van het werelderfgoeddossier.

Uit het antwoord van bevoegd erfgoedminister Geert Bourgeois blijkt dat in feite nog niet werd nagedacht over deze problematiek. De minister wijst erop dat het helemaal niet zeker is dat Unesco opnieuw hetzelfde standpunt zal innemen, maar overtuigend klinkt dat niet. Vooral niet omdat er blijkbaar bij het voorbereidend overleg nog nooit over werd gesproken.

“Mij lijkt het nochtans relevant dat hier snel duidelijkheid over komt”, zegt Dirk Van Mechelen. “Eén van de basisvoorwaarden voor Unesco is immers dat sites en plaatsen op de meest geëigende manier zijn beschermd door de bevoegde overheid. In Vlaanderen moet het Vlaams gewest dus zorgen voor dat beschermde statuut. Sommige stadsdelen zijn reeds beschermd, maar voor andere is dat nog niet het geval. Het beschermingstraject voor deze omvangrijke zones moet dan ook snel worden opgestart en wel op zo’n manier dat er geen stolp op deze gebouwen wordt geplaatst, maar dat er integendeel een wisselwerking kan ontstaan tussen het behoud van de intrinsieke erfgoedwaarden enerzijds en een hedendaags gebruik anderzijds”, besluit Van Mechelen.

Vraag & antwoord